Tagarchief: Anti-blokkeersysteem-ABS

Anti-blokkeersysteem-ABS

Zoals de naam al zegt, moet dit systeem vooral bij vol remmen het blokkeren van afzonderlijke wielen voorkomen, om de bestuurbaarheid van het voertuig ook in extreme situaties te garanderen. Tegelijkertijd kan daardoor de remweg in enkele gevallen, maar niet altijd, worden verkort en de spoorkracht resp. richtingsstabiliteit blijven behouden, waardoor het slingergevaar
wordt geminimaliseerd.

Op enkele uitzonderingen na waarbij nog een mechanische regeling wordt gebruikt, worden antiblokkeersystemen voor personenauto’s samen met hydraulische reminrichtingen elektronisch geregeld. In principe maakt men onderscheid tussen geïntegreerd en niet-geïntegreerd ABS.

Bij niet geïntegreerd ABS zijn er behalve het eigenlijke remsysteem ook nog een elektronische regeleenheid en een hydraulische eenheid nodig, evenals sensoren om de toerentallen te meten. Om de toerentallen te meten gebruikt men 4 sensoren (1 sensor voor elk wiel) of 3 sensoren (2 sensoren voor de voorwielen, 1 sensor voor het toerental van het differentieelwiel).

De regeling is hetzelfde, de beide voorwielen worden afzonderlijk geregeld, de achterwielen samen volgens het Select-low-principe, waarbij de remdruk voor beide wielen volgens het wiel met de minste grip op de bodem wordt doorgegeven. In de elektronische regeleenheid wordt de informatie verwerkt en doorgegeven, of een wiel ook de neiging vertoont te gaan blokkeren.

In dat geval wordt de bijbehorende in- en uitlaatklep van de hydraulische eenheid bediend. De klep onderbreekt de verbinding tussen de hoofdcilinder van het remsysteem en de wielremcilinder. Een verder opbouwen van de remdruk wordt zo voorkomen, het wiel kan door de verminderde remdruk weer versnellen. De wegstromende remvloeistof wordt in een drukreservoir verzameld en door een retourpomp weer naar de hoofdremcilinder terug geperst.

Het openen en sluiten van de in – en uitlaatkleppen vindt meerdere malen per seconde cyclisch plaats. Bij geïntegreerd ABS is de hydraulische eenheid samen met de hoofdremcilinder en een hydraulische rembekrachtiger ingebouwd. Voor de bediening van de wielremcilinders is een kleppenblok noodzakelijk met een in- en uitlaatklep voor elk voorwiel en de beide achterwielen.

Het meten van de toerentallen en de sturing van de afzonderlijke wielen gebeurt op dezelfde manier als bij niet-geïntegreerd ABS. De elektronische regeleenheid is dubbel uitgevoerd, zodat ze elkaar wederzijds kunnen vervangen. Wanneer er een wiel dreigt te blokkeren, dan wordt door de regeleenheid de tijdens normaal bedrijf geopende klep gesloten en de druk in de daarbij horende wielremcilinder kan niet verder stijgen. Wanneer de remdruk moet dalen, dan wordt de uitlaatklep geopend, de remvloeistof loopt terug in het reservoir.

Om druk op te bouwen moet de desbetreffende inlaatklep weer worden geopend. De toe te voeren remvloeistof wordt uit het bekrachtigingsreservoir van de rembekrachtiger naar de achterwielrem of naar de voorwielremmen gevoerd.