Categoriearchief: Uitrusting

Overige armaturen en uitrustingen

Richtingaanwijzer / dimlichtschakelaar
In de bekleding (het omhulsel) van de stuurkolom is aan de linkerkant een hendel geïntegreerd, die bij naar boven of naar beneden bewegen de knipperlichten inschakelt. De hendel wordt automatisch teruggeplaatst wanneer de wielen weer rechtdoor gaan rijden.

Wanneer de hendel tegen het stuurwiel wordt aangetrokken dan wordt het grootlichtsignaal bediend. Bij enkele voertuigen wordt door deze beweging van de hendel bij ingeschakelde lichten het groot licht ingeschakeld, bij andere voertuigen door de tegengestelde beweging.

Soms is in de hendel een draaischakelaar geïntegreerd om de verlichting in te schakelen.
Ruitenwisserhendel
De ruitenwisserhendel is in de rechterkant van de stuurkolom aangebracht. Door deze hendel naar boven of beneden te doen, worden de ruitenwissers ingeschakeld, in intervallen of in verschillende snelheden. Door het aantrekken van de hendel of door een drukknop te bedienen wordt ook de wiswas-installatie ingeschakeld.

Cruise control
Via een extra schakelaar aan het stuurwiel kan een automatische snelheidregelaar worden geactiveerd. Een elektronische regeleenheid registreert bijvoorbeeld via een elektronische snelheidsmeter de rijsnelheid en vergelijkt deze met de door de bestuurder ingesteld snelheid. Verschillen tussen werkelijke en ingestelde snelheid resulteren in het bedienen van een elektrische stelmotor, die de bediening van het gaspedaal overneemt. Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld wanneer er geremd wordt.

Spiegels
Voertuigen hebben minstens één buitenspiegel en één binnenspiegel. De buitenspiegels zijn aan de voorportieren bevestigd en kunnen via een hefboomsysteem handmatig of via elektromotoren worden ingesteld, om de bestuurder een zo goed mogelijk zicht naar achteren te bieden. Het elektrische verstellen gebeurt via schakelaars in de passagiersruimte.

De binnenspiegel kan handmatig in positie worden gebracht en kan door een hefboom enkele graden uit deze basispositie gebogen worden om niet verblind te worden door achteropkomend verkeer met ingeschakelde lichten.

Motorkapontgrendeling
Om de motorkap te ontgrendelen moet er aan een handgreep worden getrokken die aan de linker kant in de passagiersruimte zit.
Tankafsluiting- en kofferbakontgrendeling
Bij enkele voertuigen zijn er in de bodem naast de bestuurdersstoel hendels voor de ontgrendeling van de tankafsluiting en/of de kofferbak aangebracht.
Instrumentenverlichting
Om de lichtsterkte van de instrumentenverlichting te regelen is er in het dashboard een regelwieltje aangebracht.
Koplampverstelling
Afhankelijk van de beladingsgraad kan via een draaischakelaar de hoogte-instelling van de koplampen worden geregeld.
Schakelaar voor achterruitverwarming
De achterruitverwarming wordt ingeschakeld via een drukschakelaar. De drukschakelaar is gecombineerd met een controlelampje.
Schuifdak
Het stalen schuifdak kan worden bediend door middel van een zwengel of elektrisch via een stelmotor.

Daarbij kan het achterste deel van het schuifdak omhoog worden gedaan en kan het dak gedeeltelijk of geheel worden geopend. Bij een lichtdoorlatend glazen schuifdak is een afdekplaat aan de binnnenkant aanwezig, die dan samen met het schuifdak wordt bediend en terug wordt geschoven.

Andere uitrustingen die men in de passagiersruimte kan aantreffen, zijn:

– asbakken in of aan het dashboard
– asbakken achterin het voertuig
– sigarettenaansteker
– klok
– handschoenenvakje
– aflegvak
– houder voor blikjes drinken
– insteekvak voor een radio
– binnenverlichting, die aan- en uitgeschakeld kan worden via een schakelaar of een
deurcontact

Tot de niet zichtbare voorzieningen behoren alarminstallaties tegen diefstal en elektronische startblokkeringen, die op verschillende manieren werken.

Bij een alarminstallatie tegen diefstal wordt via een contactschakelaar op de portieren een akoestisch en optisch signaal gegeven wanneer de portieren door onbevoegden worden geopend. Deze signalen kunnen ook afgaan wanneer er een ultrasoon veld, dat in de passagiersruimte is opgebouwd, word doorbroken of wanneer de door middel van sensoren gemeten helling van het voertuig verandert.

Elektronische blokkeerinstallaties tegen het wegrijden blokkeren enkele stroomcircuits (ontsteking, inspuitpomp etc.), wanneer het systeem niet door een code wordt gedeactiveerd.

Uitrustingen die zich buiten de passagiersruimte bevinden, zijn:

Aan de voor- en achterkant van voertuigen zijn sleephaken aangebracht, waarmee men, rekening houden met de toegelaten treklast, zowel een andere auto kan wegslepen als zelf weggesleept worden.

In de kofferbak bevinden zich voor eventualiteiten een krik, een reservewiel (een smal noodwiel of een volwaardig wiel) en een gevarendriehoek.

Om in een noodgeval eerste hulp te kunnen verlenen, wordt het aangeraden een verbanddoos met een basisuitrusting bij zich hebben.

Of de doos van metaal of kunststof is, is van weinig belang. Wel belangrijk is het de inhoud te onderhouden, dat wil zeggen, dat verouderd materiaal regelmatig moet worden vernieuwd en dat de voorraad steeds moet worden aangevuld als er dingen zijn gebruikt.

Boordcomputer

Met behulp van een elektronische boordcomputer kunnen enkele kengetallen van de huidige bedrijfsomstandigheden direct door de bestuurder worden opgevraagd.

Daartoe behoren vooral het brandstofverbruik van het moment, het gemiddelde verbruik, de snelheid, de actieradius, rijroute etc.

Ook kan men gegevens invoeren, zoals de afstand tot het doel van de reis.

In principe worden bij de oudere boordcomputers o.a. via een snelheidsmeter en een doorstroommeter meetwaarden opgenomen en door een microprocessor in de display verwerkt. Moderne boordcomputers halen informatie rechtstreeks uit diverse elektronische componenten die in een moderne auto volop aanwezig zijn. Denk hierbij aan een snelheidssensor en het motormanagementsysteem. De bestuurder kan door een druk op de knop de gewenste actuele waarde opvragen. Deze waarde wordt digitaal getoond.

Ventilatie, verwarming, airconditioning

De ventilatie van de passagiersruimte wordt verzorgd door een bijzonder ventilatie-systeem.

De openingen voor de luchttoevoer bevinden zich in de bekleding van het dashboard, op de plaats van de voeten zowel voor- als achterin, en deels in de bekleding van de voorportieren. De ontluchting vindt plaats via openingen achterin de auto.

De openingen (luchtroosters) in het dashboard zijn meestal uitgerust met verticale en horizontale verstelbare lamellen, om de richting van de luchtstroom te regelen.

Via schuif- en drukschakelaars kan de luchtstroom bij de verschillende openingen voorin en op de bodem worden ingesteld.

Met nog een andere toets kan omgeschakeld worden van buitenlucht op interne circulatielucht. Dit is noodzakelijk wanneer de buitenlucht door verschillende oorzaken erg vervuild is.

Bij de toevoer van buitenlucht is er gewoonlijk een filter in de luchtaanvoer aangebracht, om vuildeeltjes eruit te filteren. Bijzondere uitvoeringen zijn pollenfilters.

Ventilatie en verwarming

Ventilatie en verwarming

De intensiteit van de luchttoevoer wordt geregeld via een aanjager met verschillende standen. Deze ventilator kan ook uitgeschakeld worden In dat geval ontstaat er alleen luchttoevoer door de rijsnelheid.
Vooral voor het gebruik tijdens de winter hebben de voertuigen een verwarming.
Bij de hier gebruikelijke uitvoeringen wordt het koelwater van de motor door een warmtewisselaar geleid. De lucht wordt door een ventilator tussen de lamellen van de warmtewisselaar geperst en wordt daarbij verwarmd. De temperatuur van de lucht wordt via een draai- of schuifschakelaar ingesteld, die bij oudere automobielen de watertoevoer opent of sluit. Bij moderne auto’s wordt de verwarmde lucht vermengd met koude buitenlucht om de gewenste temperatuur te krijgen.
De temperatuurregeling kan ook plaatsvinden via temperatuurvoelers, die de temperatuur in de passagierruimte meten en via een regelapparaat de kleppen aansturen.
Deze soort verwarming functioneert echter alleen wanneer de motor zijn bedrijfswarmte afgeeft aan de koelvloeistof. Bij stilstaande motor is verwarming alleen mogelijk wanneer in de motorruimte extra kachels geïnstalleerd zijn, die men standverwarming noemt.

Wanneer men niet alleen in de winter de auto wil verwarmen, maar ook in de zomer bij hoge buitentemperaturen de passagiersruimte koelen, dan is een airconditioning noodzakelijk.

De airconditioning werkt volgens het principe van een koelkast. Een compressor zuigt gasvormig koelmiddel aan en perst dit onder hoge druk in de condensor. Door de hoge druk wordt het koelmiddel vloeibaar.

Het komt dan via de expansieklep in de verdamper. Aangezien daarbij de druk afneemt, wordt het koelmiddel weer gasvormig en onttrekt daarbij warmte aan de omgeving, zodat in de verdamper lage temperaturen ontstaan. De warme lucht wordt nu door een ventilator over de lamellen van de verdamper geperst, koelt af en koelt daardoor ook de passagiersruimte.

De compressor wordt meestal aangedreven door een V-snaar via de motor. Het inschakelen van de compressor wordt geregeld via een temperatuurvoeler.

Dashboard

In het dashboard bevinden zich de voor het functioneren van het motorvoertuig belangrijke controle- en signaalapparatuur resp. lampjes.

Verder bevinden zich in het dashboard schakelaars en bedieningshendels voor onder andere de ventilatie, de verwarming en de achterruitverwarming.

Onder het eigenlijke dashboard bevindt zich gewoonlijk de zekeringkast met de zekeringen, die de afzonderlijke circuits apart beveiligen.

Belangrijke meters zijn de snelheidsmeter / kilometerteller, de toerenteller, de brandstofmeter (eig. aanwijzer) en de temperatuurmeter van de koelvloeistof.

De snelheidsmeter, die mechanisch of elektronisch aangedreven kan zijn, geeft de momentele snelheid van het voertuig aan en bevat tevens de kilometerteller, die het totaal aangeeft van de door het voertuig afgelegde afstand.

Daarbij is er ook nog een zogenaamde dagteller aanwezig, die bij stilstand van het voertuig steeds op nul kan worden gezet door een terugzetknop.

De toerenteller geeft het motortoerental aan in duizend omwentelingen per minuut en wordt bij zeer ouderwetse automobielen mechanische aangedreven door de nokkenas van de motor. Bij de elektronische meting worden de ontstekingsimpulsen van de bobine opgenomen, in de elektronische toerentalmeter verwerkt en aangegeven. De hoge toerentallen die tot motorschade kunnen leiden, zijn meestal in rood aangegeven.

De brandstofwijzer geeft aan, hoeveel brandstof er nog in de tank zit.

De koelvloeistofthermometer geeft de temperatuur aan van de motorkoelvloeistof. Het “normale” bereik is meestal blauw gekleurd. Wanneer de motor oververhit is, dan bevindt de wijzer zich in het rode gebied, daarbij kunnen waarschuwingslampjes branden.

In het dashboard zijn verder de volgende lampjes ondergebracht:

Controlelampjes voor de richtingaanwijzers
De controlelampjes voor de richtingaanwijzers, die er gewoonlijk voor elke richting zijn, knipperen wanneer de richtingaanwijzer aanstaat.

Wanneer de waarschuwingsknipperlichten aan staan (de schakelaar bevindt zich eveneens in het dashboard of in de bekleding van de stuurkolom), dan knipperen beide controlelampjes tegelijk

Dashboard

Dashboard

Waarschuwingslampje voor lage brandstofhoeveelheid
Wanneer de hoeveelheid brandstof die nog in de tank zit onder een bepaalde grens gedaald is, dan begint het lampje te branden.

Controlelampje voor de oliedruk
Dit lampje gaat branden wanneer de oliedruk in het motorsmeersysteem te laag is. Oorzaken kunnen een defect smeersysteem zijn, motorschade of een te laag oliepeil. Het lampje kan gecombineerd zijn met een waarschuwingszoemer.

Laadstroomcontrolelampje
Het laadstroomcontrolelampje begint te branden, wanneer er storingen aan de dynamo of in het laadstroomcircuit zijn.

Controlelampje voor de (hand)rem
Dit lampje licht op bij het inschakelen van de ontsteking wanneer de auto nog op de handrem staat. Wanneer de auto van de handrem af is en het lampje brandt toch, dan is meestal het peil van de remvloeistof in het voorraadreservoir te laag.

Waarschuwingslampje voor de stand van de ruitenwisservloeistof
Dit lampje licht op wanneer de ruitenwisservloeistof onder een bepaald peil is gedaald.

Controlelampje voor de mistlamp
Dit lampje brandt wanneer de mistlamp aan staat.

Controlelampje voor groot licht
Dit lampje staat aan wanneer het groot licht is ingeschakeld en het heeft een blauwe kleur. Bij enkele voertuigen wordt ook nog met een groen lampje aangegeven, dat het dimlicht is ingeschakeld.

Controlelampje voor waarschuwingsknipperlicht
Dit lampje brandt tegelijk met de knipperende controlelampjes voor de richtingaanwijzers wanneer de waarschuwingsknipperlichten aanstaan.

Bij dieselmotoren is er ook nog een lampje, dat uitgaat wanneer de voorgloeitijd is beëindigd.

Er kunnen ook nog lampjes of andere signaalinrichtingen in het dashboard zijn ingebouwd, die aangeven dat de deuren niet goed dicht zitten of dat men de autogordels niet om heeft.

Ook kan het zijn dat er op het dashboard wordt aangegeven wat de temperatuur is (waarschuwingsinstallatie voor vorst) . Ook kunnen op het dashboard de meldingen van de boordcomputer verschijnen.

Stoelen

De stoelen zijn voor de bestuurder en de bijrijder uitgevoerd als enkele stoelen, achterin is er gewoonlijk een gedeeltelijk opklapbare bank.

Als capitonnering voor de zitting werd vroeger een kern van stalen veren met een bedekking van paardenhaar gebruikt. Tegenwoordig wordt meestal een kern van schuimstof gebruikt. De leuningen zijn net zo opgebouwd.

Afhankelijk van de uitvoering kan de rugleuning van de bestuurder voor een optimale zitpositie extra instelmogelijkheden hebben voor een lendensteun en voor zijsteunen.

De voorstoelen kunnen door geleidingsrails in lengterichting verschoven worden. De bestuurdersstoel kan meestal ook in hoogte worden versteld.

Stoelen

Stoelen

Daardoor kan de stoel optimaal worden aangepast aan elke bestuurder. De stoel kan of handmatig worden versteld, waarbij de arrêtering door een hefboom wordt losgemaakt of door een elektromotor.

Bij enkele voertuigen kan de positie van de bestuurdersstoel worden opgeslagen in de boordcomputer. Op afroep stelt de computer de stoel automatisch weer in de positie, die opgeslagen is. Dit is handig wanneer tussentijds een andere bestuurder in de auto heeft gereden.

De mogelijkheid om de (schuine) stand van de rugleuning te verstellen zorgt voor een verdere aanpassing van de stoel, bijvoorbeeld aan de lengte van de bestuurder.

Hoofdsteunen, die bij een botsing moeten voorkomen dat het hoofd naar achteren wordt geslingerd, kunnen hetzij direct in de stoel zijn geïntegreerd hetzij via geleidingsrails in de rugleuning zijn opgenomen.

Als extra uitrusting kunnen de stoelen ook nog een elektrische verwarming hebben, die aangaat wanneer het contact ingeschakeld wordt en voor een snelle verwarming van de zitting zorgt. De stoelen zijn dan uitgerust met een thermoschakelaar, die bij het overschrijden van een bepaalde temperatuur de verwarming uitschakelt.

Ruiten

Overeenkomstig de wettelijke eisen moeten alle ruiten van een motorvoertuig van veiligheidsglas zijn gemaakt.

De voorruit, de achterruit en andere vaste ruiten, bijvoorbeeld in de zijkant, zijn bevestigd in rubberen frames of zijn vastgeplakt. De in de portieren aanwezige ramen worden in gecapitonneerde raamlijsten geleid.

Behalve de voorruit worden de ruiten gemaakt uit massief veiligheidsglas (1 laag). Door een bijzonder productieproces springen deze ruiten bij beschadiging uiteen in hele kleine stukjes zonder scherpe kanten, zodat het gevaar op verwondingen door glasscherven beperkt blijft.

Veiligheidsglas

Veiligheidsglas

Wanneer de voorruit wordt beschadigd, bijvoorbeeld door steenslag, wordt het zicht extreem beperkt, voor zover de stukken niet door de winddruk naar binnen worden gedrukt.

Dit probleem wordt bij het gelaagde veiligheidsglas opgelost, doordat de voorruit uit meerdere lagen bestaat, die door kunststoffolie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Bij een beschadiging ontstaan er alleen dunne barsten, die weinig invloed op het zicht hebben.

Rubberen frame voor voorruit

Rubberen frame voor voorruit

Speciale uitvoeringen zijn de zogenoemde warmte-isolerende (niet-geleidende) ruiten, die gekleurd zijn en daardoor minder infrarode straling doorlaten. De passagiersruimte wordt daardoor minder verwarmd door de zonnestralen.

Bij achterruiten worden vaak verwarmingsdraden tussen de lagen (bij gelaagd veiligheidsglas) of op de ruit (bij massief veiligheidsglas) geplakt. Doordat de draden verhit worden, voorkomen ze dat de achterruit beslaat bij slecht weer en waarborgen zo een goed zicht door de achterruit (achterruitverwarming).

Raamslinger met scharniermechanisme

Raamslinger met scharniermechanisme

Het openen en sluiten van de zijruiten gaat door middel van raamslingers, die met de hand of via een elektromotor worden bediend.

De ruit wordt daarbij in de beide verticale geleidingen geleid en via een hefboomaandrijving of via een kabel geopend en gesloten.

Raamslinger met kabel

Raamslinger met kabel

Bij een hefboomaandrijving wordt met de slinger of met de elektromotor via een tandwiel een tandsegment aangedreven en zo een scharend stangenstelsel in beweging gebracht.

Bij gebruik van een kabel wordt een kabel zonder einde via rollen rondomgedraaid. Deze kabel brengt via een meenemer de zijruit in beweging.

Portierslot

Als portiersloten worden zogenoemde veiligheidssloten gebruikt, die er voor zorgen dat het portier gemakkelijk open en dicht gedaan kan worden, maar ook dat de portieren vast gesloten blijven.

Ze moeten verder voldoende stevig en stabiel zijn om ook nog na het inwerken van bepaalde krachten, zoals bij een ongeval, te functioneren.

Portierslot

Portierslot

Als portierslot worden zogenoemde wigtap-sloten gebruikt, waarbij de wigtap aan de carrosserie en de schoot/tong aan de deur is bevestigd.

Deze wigsloten hebben een dubbele arrêteerinrichting/klik-in-constructie, om te verhinderen dat het portier openspringt wanneer het niet volledig is gesloten.

Het slot zelf kan van buiten ontgrendeld worden door de deurkruk of de deurgreep en van binnen door de hendel. Deze hendel is binnenin de deur via een stangenstelsel met het slot verbonden.

De ontgrendeling van de sloten kan bij veel auto’s door indrukken of omhoog doen van de beveiligingspen worden tegengegaan.

Centrale vergrendeling

Centrale vergrendeling

Om een inbraakveilige afsluiting van de portieren te waarborgen, zijn er gewoonlijk in de deurkruk van de voorportieren resp. de achterklep extra cilindersloten ingebouwd. Qua bouw komen ze overeen met een gewoon veiligheidsslot en ze kunnen door overeenkomstig geconstrueerde tuimelaars verschillend worden gemaakt.
In toenemende mate wordt bij personenauto’s een centrale vergrendeling ingebouwd, waarbij bij het afsluiten van één portier tegelijkertijd ook de andere portieren worden afgesloten.
Afhankelijk van de werkingswijze onderscheidt men centrale vergrendeling die door onderdruk wordt geregeld, door bi-druk en een elektromagnetische.

Bij de door onderdruk geregelde centrale vergrendeling wordt de in de zuigbuis van de motor ontstane onderdruk opgeslagen in een voorraadreservoir.
Bij het bedienen van een portierslot wordt deze onderdruk via een schakelaar en een regelklep naar de pneumatische cilinder geleid. Aangezien deze cilinders dubbelzijdig werken, kan door de onderdruk vergrendeld en ontgrendeld worden.

Sluitmechanisme met elektromotor

Sluitmechanisme met elektromotor

De door bidruk geregelde centrale vergrendeling werkt eveneens met pneumatische cilinder, die echter door onder- of overdruk voor het ver- of ontgrendelen zorgen.

De druk wordt door een speciaal ingebouwde elektropomp geproduceerd.

De elektromagnetische centrale vergrendeling, die heel geschikt is om later in te bouwen, werkt met een dubbele magneet, waarvan bij vergrendelen de ene, en bij ontgrendelen de andere door stroomtoevoer uit de accu wordt geactiveerd.

Portieren

Motorvoertuigen hebben meestal minstens 2, maar hoogstens 6 portieren. Tot de portieren (deuren) worden gewoonlijk ook de achterkleppen van combi’s gerekend, ook al zijn die gewoonlijk niet bedoeld voor in- en uitstappen.

Behalve het in- en uitstappen en het in- en uitladen mogelijk te maken, moeten de portieren vooral de passagiersruimte goed van de omgeving afsluiten en hem afdichten tegen vocht en stof. Tenslotte moeten de portieren ook zo stabiel zijn, dat ze bij een eventueel ongeval ook een bepaalde bescherming bieden aan de inzittenden.

draaideur

draaideur

Afhankelijk van hoe het portier aan de wagen is bevestigd en hoe het geopend kan worden, onderscheidt men draai- en klapdeuren, die vooral bij personenauto’s worden gebruikt, schuifdeuren, die vaak bij transportwagens worden gebruikt en zwaaideuren, die bij bussen met deursluit-installaties worden ingebouwd.

De draaideur moet altijd de aanslag in de rijrichting aan de voorkant hebben. Door een slot met dubbele vergrendeling wordt voorkomen dat het portier tijdens het rijden opengaat.

klapdeur

klapdeur

Het openen van het portier wordt begrensd door een vangband, daardoor worden eventuele beschadigingen door te ver openen voorkomen. Daarbij is vaak ook nog een deurvastzetter aangebracht, zodat het portier na het openen blijft staan en niet al bij een klein windstootje verder open- of dichtslaat.

De achterdeur/achterklep is bij bepaalde limousines of combi’s vormgegeven als klapdeur. De aanslag (sponning) bevindt zich aan het dak van het voertuig. Het openen wordt vergemakkelijkt door één of twee éénpijps-schokdempers.

schuifdeur

schuifdeur

De krachten van deze gasdempers werken op een hefboom, die over zijn dode punt zwenkt. Daardoor wordt vanaf een bepaalde openingshoek de deur naar boven gedrukt en tegelijkertijd verhinderd, dat een geopende klapdeur vanzelf weer dichtvalt.

Schuifdeuren worden vooraan beneden in de bodem en bovenin in het dak in rollagers geleid. Achter zit er in het midden van het portier een haakse hefboom met een geleider. Bij het openen wordt het portier door de hefboom naar buiten geduwd en kan dan langs de buitenkant van de wagen worden geschoven.

zwaaideur

zwaaideur

Zwaaideuren worden door een hefboomsysteem bij het openen zo gezwenkt, dat ze naast de buitenkant van het voertuig staan.

Ter bescherming van de inzittenden zijn de portieren aan de binnenkant bekleed en gedeeltelijk gecapitonneerd.

De handgrepen om de deur van binnen uit te openen zijn zo in de bekleding geïntegreerd, dat er geen uitstekende randen zijn die verwondingen zouden kunnen veroorzaken. Aan de bekleding zijn meestal nog armleuningen vastgeschroefd, die vaak ook de schakelaars voor de elektrische bedienbare ramen opnemen. Extra vakken en zakken in het onderste deel van het portier dienen om kaarten en dergelijke in op te bergen.

Vaak zijn er in de voordeuren ook luidsprekers ingebouwd en rode lampjes, die via deurcontacten kunnen worden ingeschakeld en bij geopende deur branden, zodat het achterop komende verkeer vooral in het donker extra informatie krijgt.

Uitrusting

Tot de uitrusting van een motorvoertuig behoort een hele serie van inrichtingen en onderdelen, waar een auto maar moeilijk zonder kan. Dit zijn de portieren met de portiersloten, de stoelen en de ruiten.

Andere inrichtingen zijn wettelijk voorgeschreven resp. horen tot de standaarduitrusting van een personenauto:
– raamkruk
– veiligheidsgordel
– binnenverlichting
– dashboard met wijzers en controle-instrumenten
– sigarettenaansteker
– verwarming van de passagiersruimte

Verders uitrustingscomponenten kunnen als speciale uitrusting worden toegevoegd of zijn, in hogere prijsklassen, al standaard geïnstalleerd.
Daartoe behoren bijvoorbeeld:
– radio
– schuifdak
– stoel-verwarming
– cruise-control (snelheidsregelaar)
– verwarming tijdens stilstaan van de motor (standkachel)
– airco
– alarminstallatie (tegen diefstal)
– wegrijblokkering-startblokkering
– boordcomputer

Behalve de onderdelen die door de fabrikant seriematig of als speciale uitrusting meegeleverd worden, zijn er ook onderdelen in de handel die voor de autoliefhebber wel aantrekkelijk zijn en zijn auto een persoonlijke noot kunnen geven, maar de niet altijd ingebouwd mogen worden,

Elke auto moet voldoen aan een zogenaamde typegoedkeuring (homologatie). Deze keuringen worden verricht door de Rijksdienst voor het wegverkeer alvorens een kenteken wordt afgegeven. Op deze manier voldoet elke goedgekeurde auto aan de wettelijke regels en bepalingen. Indien de auto door aanpassingen niet meer aan de originele specificaties voldoet moet hij opnieuw gekeurd worden, aangezien anders de verzekering vervalt.