Overige armaturen en uitrustingen

Richtingaanwijzer / dimlichtschakelaar
In de bekleding (het omhulsel) van de stuurkolom is aan de linkerkant een hendel geïntegreerd, die bij naar boven of naar beneden bewegen de knipperlichten inschakelt. De hendel wordt automatisch teruggeplaatst wanneer de wielen weer rechtdoor gaan rijden.

Wanneer de hendel tegen het stuurwiel wordt aangetrokken dan wordt het grootlichtsignaal bediend. Bij enkele voertuigen wordt door deze beweging van de hendel bij ingeschakelde lichten het groot licht ingeschakeld, bij andere voertuigen door de tegengestelde beweging.

Soms is in de hendel een draaischakelaar geïntegreerd om de verlichting in te schakelen.
Ruitenwisserhendel
De ruitenwisserhendel is in de rechterkant van de stuurkolom aangebracht. Door deze hendel naar boven of beneden te doen, worden de ruitenwissers ingeschakeld, in intervallen of in verschillende snelheden. Door het aantrekken van de hendel of door een drukknop te bedienen wordt ook de wiswas-installatie ingeschakeld.

Cruise control
Via een extra schakelaar aan het stuurwiel kan een automatische snelheidregelaar worden geactiveerd. Een elektronische regeleenheid registreert bijvoorbeeld via een elektronische snelheidsmeter de rijsnelheid en vergelijkt deze met de door de bestuurder ingesteld snelheid. Verschillen tussen werkelijke en ingestelde snelheid resulteren in het bedienen van een elektrische stelmotor, die de bediening van het gaspedaal overneemt. Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld wanneer er geremd wordt.

Spiegels
Voertuigen hebben minstens één buitenspiegel en één binnenspiegel. De buitenspiegels zijn aan de voorportieren bevestigd en kunnen via een hefboomsysteem handmatig of via elektromotoren worden ingesteld, om de bestuurder een zo goed mogelijk zicht naar achteren te bieden. Het elektrische verstellen gebeurt via schakelaars in de passagiersruimte.

De binnenspiegel kan handmatig in positie worden gebracht en kan door een hefboom enkele graden uit deze basispositie gebogen worden om niet verblind te worden door achteropkomend verkeer met ingeschakelde lichten.

Motorkapontgrendeling
Om de motorkap te ontgrendelen moet er aan een handgreep worden getrokken die aan de linker kant in de passagiersruimte zit.
Tankafsluiting- en kofferbakontgrendeling
Bij enkele voertuigen zijn er in de bodem naast de bestuurdersstoel hendels voor de ontgrendeling van de tankafsluiting en/of de kofferbak aangebracht.
Instrumentenverlichting
Om de lichtsterkte van de instrumentenverlichting te regelen is er in het dashboard een regelwieltje aangebracht.
Koplampverstelling
Afhankelijk van de beladingsgraad kan via een draaischakelaar de hoogte-instelling van de koplampen worden geregeld.
Schakelaar voor achterruitverwarming
De achterruitverwarming wordt ingeschakeld via een drukschakelaar. De drukschakelaar is gecombineerd met een controlelampje.
Schuifdak
Het stalen schuifdak kan worden bediend door middel van een zwengel of elektrisch via een stelmotor.

Daarbij kan het achterste deel van het schuifdak omhoog worden gedaan en kan het dak gedeeltelijk of geheel worden geopend. Bij een lichtdoorlatend glazen schuifdak is een afdekplaat aan de binnnenkant aanwezig, die dan samen met het schuifdak wordt bediend en terug wordt geschoven.

Andere uitrustingen die men in de passagiersruimte kan aantreffen, zijn:

– asbakken in of aan het dashboard
– asbakken achterin het voertuig
– sigarettenaansteker
– klok
– handschoenenvakje
– aflegvak
– houder voor blikjes drinken
– insteekvak voor een radio
– binnenverlichting, die aan- en uitgeschakeld kan worden via een schakelaar of een
deurcontact

Tot de niet zichtbare voorzieningen behoren alarminstallaties tegen diefstal en elektronische startblokkeringen, die op verschillende manieren werken.

Bij een alarminstallatie tegen diefstal wordt via een contactschakelaar op de portieren een akoestisch en optisch signaal gegeven wanneer de portieren door onbevoegden worden geopend. Deze signalen kunnen ook afgaan wanneer er een ultrasoon veld, dat in de passagiersruimte is opgebouwd, word doorbroken of wanneer de door middel van sensoren gemeten helling van het voertuig verandert.

Elektronische blokkeerinstallaties tegen het wegrijden blokkeren enkele stroomcircuits (ontsteking, inspuitpomp etc.), wanneer het systeem niet door een code wordt gedeactiveerd.

Uitrustingen die zich buiten de passagiersruimte bevinden, zijn:

Aan de voor- en achterkant van voertuigen zijn sleephaken aangebracht, waarmee men, rekening houden met de toegelaten treklast, zowel een andere auto kan wegslepen als zelf weggesleept worden.

In de kofferbak bevinden zich voor eventualiteiten een krik, een reservewiel (een smal noodwiel of een volwaardig wiel) en een gevarendriehoek.

Om in een noodgeval eerste hulp te kunnen verlenen, wordt het aangeraden een verbanddoos met een basisuitrusting bij zich hebben.

Of de doos van metaal of kunststof is, is van weinig belang. Wel belangrijk is het de inhoud te onderhouden, dat wil zeggen, dat verouderd materiaal regelmatig moet worden vernieuwd en dat de voorraad steeds moet worden aangevuld als er dingen zijn gebruikt.