Ventilatie, verwarming, airconditioning

De ventilatie van de passagiersruimte wordt verzorgd door een bijzonder ventilatie-systeem.

De openingen voor de luchttoevoer bevinden zich in de bekleding van het dashboard, op de plaats van de voeten zowel voor- als achterin, en deels in de bekleding van de voorportieren. De ontluchting vindt plaats via openingen achterin de auto.

De openingen (luchtroosters) in het dashboard zijn meestal uitgerust met verticale en horizontale verstelbare lamellen, om de richting van de luchtstroom te regelen.

Via schuif- en drukschakelaars kan de luchtstroom bij de verschillende openingen voorin en op de bodem worden ingesteld.

Met nog een andere toets kan omgeschakeld worden van buitenlucht op interne circulatielucht. Dit is noodzakelijk wanneer de buitenlucht door verschillende oorzaken erg vervuild is.

Bij de toevoer van buitenlucht is er gewoonlijk een filter in de luchtaanvoer aangebracht, om vuildeeltjes eruit te filteren. Bijzondere uitvoeringen zijn pollenfilters.

Ventilatie en verwarming

Ventilatie en verwarming

De intensiteit van de luchttoevoer wordt geregeld via een aanjager met verschillende standen. Deze ventilator kan ook uitgeschakeld worden In dat geval ontstaat er alleen luchttoevoer door de rijsnelheid.
Vooral voor het gebruik tijdens de winter hebben de voertuigen een verwarming.
Bij de hier gebruikelijke uitvoeringen wordt het koelwater van de motor door een warmtewisselaar geleid. De lucht wordt door een ventilator tussen de lamellen van de warmtewisselaar geperst en wordt daarbij verwarmd. De temperatuur van de lucht wordt via een draai- of schuifschakelaar ingesteld, die bij oudere automobielen de watertoevoer opent of sluit. Bij moderne auto’s wordt de verwarmde lucht vermengd met koude buitenlucht om de gewenste temperatuur te krijgen.
De temperatuurregeling kan ook plaatsvinden via temperatuurvoelers, die de temperatuur in de passagierruimte meten en via een regelapparaat de kleppen aansturen.
Deze soort verwarming functioneert echter alleen wanneer de motor zijn bedrijfswarmte afgeeft aan de koelvloeistof. Bij stilstaande motor is verwarming alleen mogelijk wanneer in de motorruimte extra kachels geïnstalleerd zijn, die men standverwarming noemt.

Wanneer men niet alleen in de winter de auto wil verwarmen, maar ook in de zomer bij hoge buitentemperaturen de passagiersruimte koelen, dan is een airconditioning noodzakelijk.

De airconditioning werkt volgens het principe van een koelkast. Een compressor zuigt gasvormig koelmiddel aan en perst dit onder hoge druk in de condensor. Door de hoge druk wordt het koelmiddel vloeibaar.

Het komt dan via de expansieklep in de verdamper. Aangezien daarbij de druk afneemt, wordt het koelmiddel weer gasvormig en onttrekt daarbij warmte aan de omgeving, zodat in de verdamper lage temperaturen ontstaan. De warme lucht wordt nu door een ventilator over de lamellen van de verdamper geperst, koelt af en koelt daardoor ook de passagiersruimte.

De compressor wordt meestal aangedreven door een V-snaar via de motor. Het inschakelen van de compressor wordt geregeld via een temperatuurvoeler.